* Onderdeel: Dictee (van zinnen).

* regels beginnend met een sterretje (*) zijn kommentaarregels
* deze kunnen overal worden gebruikt.

* De zinnen mogen maximaal 40 tekens lang zijn.
********** level a **********
*
*           1         2         3         4
*  1...5....0....5....0....5....0....5....0
1a;De kat drinkt melk;
1a;Een koe geeft melk;
1a;Mijn arm doet pijn;
1a;Dit mes is scherp;
1a;Ik heb een groot bed;
1a;Ik zit in de bus;
1a;De muur is wit;
1a;Ik zwem in de zee;
1a;De mus eet brood;
1a;Ik heb een oma;
1a;Mijn opa is oud;
1a;Ik heb een zus;
1a;De vis zwemt;
1a;De vogel zit op de tak;
1a;Ik schrijf met een pen;
1a;Ik ben zes jaar oud;
1a;In de tuin staat een boom;
1a;Wij hebben een boot;
1a;Ik loop in het bos;
1a;Ik zit in de bus;
1a;Ons huis heeft een dak;
1a;Hij heeft een das om;
1a;Deze doos is groot;
1a;De haan kraait;
1a;Ik sta op mijn hak;
1a;Het hek is dicht;
1a;Zij heeft een jas;
1a;Kaas is lekker;
1a;Ik kam mijn haar;
1a;De kar piept;
1a;Een kip legt een ei;
1a;De maan schijnt;
1a;De vis zit in het net;
1a;Een appel en een peer;
1a;Doe je pet af;
1a;Pijl en boog;
1a;Mijn opa rookt pijp;
1a;Het raam staat open;
1a;Ik heb een reep;
1a;Mijn sok is weg;
1a;De tas is vol;
1a;Ik heb een tol;
1a;De ton is vol water;
1a;Een vaas is voor bloemen;
1a;Een vos is geen hond;
1a;Het vuur is uit;
1a;Een plank en een zaag;
1a;Een zak met drop;
1a;De zon is rond;
1a;Deze slak heeft een huis;
1a;Ijs is koud;
*
********** level b **********
*
1b;Ik lees een boek;
1b;Soms ben ik boos;
1b;Ik eet van mijn bord;
1b;Deze eend heeft kuikens;
1b;Geel is een mooie kleur;
1b;De hond blaft;
1b;We geen naar huis;
1b;Deze golf is hoog;
1b;Van hooi moet ik niezen;
1b;De kast is op slot;
1b;De auto rijdt hard;
1b;Het is koud in de winter;
1b;Een muis is klein;
1b;De poes ligt voor de haard;
1b;Het raam is schoon;
1b;De reis begint;
1b;Rood, wit en blauw;
1b;De roos bloeit;
1b;Ik gooi de stok weg;
1b;Ik slaap in een tent;
1b;Ik heb veel knikkers;
1b;Het vuur is nog warm;
1b;In deze kamer is het warm;
1b;De duif zit op de kerktoren;
1b;Een beer is erg sterk;
1b;Hakken doe je met een bijl;
1b;Deze bloem ruikt lekker;
1b;Mijn moeder heeft een bril;
1b;Ik smeer boter op mijn brood;
1b;Doe jij de deur dicht?;
1b;Het kuiken komt uit het ei;
1b;Een emmer water;
1b;Een bok en een geit;
1b;Een groot kasteel;
1b;Een man met een hoed;
1b;De kikker zit in de zon;
1b;De klok slaat tien uur;
1b;Een klomp is van hout;
1b;Het konijn eet een wortel;
1b;Mijn hoofd ligt op het kussen;
1b;Eem lamp geeft licht;
1b;Soep eet je met een lepel;
1b;Het oog van de naald;
1b;Het paard staat op stal;
1b;Ik loop over de plank;
1b;In mijn broek zit een riem;
1b;Het schip vaart op zee;
1b;Deze slang is lang;
1b;Ik slaap in mijn bed;
1b;Ik zit op een stoel;
1b;De trein staat stil;
1b;De uil zit op de tak;
1b;Ik zwaai met een vlag;
1b;Ik loop op blote voeten;
1b;Ik eet met een vork;
1b;Het kindje ligt in de wieg;
1b;Het wiel draait;
1b;De zwaan zwemt in de vijver;
1b;Zwart en wit;
*
********** level c **********
*
1c;Het schip zinkt naar de bodem;
1c;Een stoel heeft vier poten;
1c;Deze tafel is rond;
1c;De trein staat op het station;
1c;Het water is lauw;
1c;Deze mand is zwaar;
1c;Wij vieren feest;
1c;Ik drink uit mijn beker;
1c;Ik heb een oom en een tante;
1c;Mijn vader is heel sterk;
1c;In deze appel zit een worm;
1c;Dez broek heeft geen zakken;
1c;Ik fiets zelf naar school;
1c;Ik ben mijn lepel kwijt;
1c;Het leven is mooi;
1c;Acht komt na zeven;
1c;Ik kijk graag naar apen;
1c;Mijn ballon gaat het hoogst;
1c;Deze banaan is niet krom;
1c;Lust jij graag bananen?;
1c;Ik zit met mijn benen over elkaar;
1c;Aan deze struik zitten besjes;
1c;In de tuin staan veel bloemen;
1c;Ik heb een heel klein boekje;
1c;Morgen wordt ik dertien;
1c;Elke dinsdag heb ik zwemles;
1c;De dolfijn springt door de hoepel;
1c;Deze druiven zijn zuur;
1c;Er is een brief voor mij;
1c;Deze flessen zijn leeg;
1c;Ik koop een klosje garen;
1c;Deze gieter is van metaal;
1c;Geef mij maar de helft;
1c;Deze hijskraan is erg hoog;
1c;Het huisje staat in het bos;
1c;Soms eet ik twee ijsjes;
1c;Blaas de kaars maar uit;
1c;De kaarsen liggen in de la;
1c;Een kameel heeft twee bulten;
1c;Dit kanon doet het niet meer;
1c;Ridders woonden in een kasteel;
1c;Gooi alle kegels maar om;
1c;Wij hebben een klimrek in de tuin;
1c;De krokodil beweegt niet;
1c;Een kruiwagen is erg handig;
1c;Kuikens zijn leuk om te zien;
1c;Doe het licht maar aan;
1c;Maandag komt na zondag;
1c;Sommige mensen zijn bang voor muizen;
1c;In het donker zie je niet veel;
1c;Een nijlpaard heeft een grote kop;
1c;Ik teken met een potlood;
1c;Die man heeft een pruik op;
1c;Het schaap heeft een dikke vacht;
1c;Schep je bord maar vol;
1c;En schildpad loopt niet snel;
1c;Als ik moe ben ga ik slapen;
1c;Steek de sleutel in het slot;
1c;Dit beest heeft een lange slurf;
1c;Wij hebben een sneeuwpop gemaakt;
1c;Er staan veel sterren aan de hemel;
1c;Deze tomaat is nog niet rood;
1c;Tomaten kan je door de sla doen;
1c;Deze trui is veel te warm;
1c;Een dozijn is twaalf;
1c;Het varken staat in de modder;
1c;Wij wonen op nummer veertien;
1c;Op school gaan wij vaak verven;
1c;Deze doos is vierkant;
1c;De goudvis zwemt in de kom;
1c;Een vlieger zit aan een touw;
1c;Het vliegtuig gaat landen;
1c;Dit is een mooie vlinder;
1c;Morgen is het donderdag;
1c;De vogel zingt zijn lied;
1c;Het vogeltje bouwt zijn nest;
1c;Deze vrijdag zijn wij vrij;
1c;Ik schrijf soms met een vulpen;
1c;Op woensdag moet ik voetballen;
1c;Het konijn eet een wortel;
1c;Zagen doe je met een zaag;
1c;De zeehond ligt op het strand;
